Uitslag van de verkiezingen
Terug naar de uitslag van de parlementsverkiezingen van 11 en 25 april. In de eerste ronde deelde de lijstcombinatie Fidesz-KDNP een heel harde klap uit, door gelijk 119 van de 176 districten met een absolute meerderheid te winnen. Op een na was zij in alle overige districten ook de grootste. In de tweede ronde werden nog eens 54 districten geworden. De MSZP wist uiteindelijk twee districten in Boedapest te winnen en in het uiterste noordoosten van het land, tegen de Slowaakse grens, won de partijloze burgemeester van het stadje Edelény (voorheen parlementslid namens Fidesz) een eigen zetel. Hieruit blijkt duidelijk dat veel kiezers zich hebben laten leiden door landelijke themata en dat de binding tussen lokale kandidaat en electoraat kleiner lijkt te worden. Bij de stemmen op de partijlijsten behaalde Fidesz bijna 53%; voor het eerst in de geschiedenis sinds 1990 haalde de grootste partij ook daadwerkelijk een absolute meerderheid van alle stemmen. Natuurlijk was de uitkomst niet zo hoog als onder het communistische politieke systeem, maar hieruit blijkt duidelijk de afkeer van de bevolking tegen de zittende regering en de afrekening met de door velen nog niet vergeten destijds toegegeven ‘leugens’ in 2006. Doordat niet alle partijen de kiesdrempel haalden kreeg Fidesz-KDNP 87 zetels van de gewestelijke lijsten, ofwel 59,6%. Nu de centrum-rechtse volkspartij duidelijk bevoorrecht is door het districtenstelsel, vooral door het winnen van vrijwel alle kiesdistricten, ontving zij na gecompliceerde berekeningen slechts 3 van de 64 zetels van de eerder besproken ‘compensatielijst’. In totaal haalde de partij bij elkaar maar liefst 263 van de 386 zetels, ofwel ruim 68%. Zelfs ondanks het karakter van het kiesstelsel dat onevenredige bevoordeling probeert te voorkomen, behaalde de lijstcombinatie zelfs een tweederde meerderheid. Hierdoor is niet alleen een coalitie overbodig, maar kan de partij ook belangrijke wetten in haar eentje wijzigen, waarvoor een tweederde meerderheid nodig is, zoals bijvoorbeeld in het geval van constitutionele wijzigingen.
Voor de MSZP, in 2006 nog goed voor net geen 50% van de zetels, verliepen de verkiezingen dramatisch, wellicht nog slechter dan niet alleen gehoopt, maar ook verwacht: naast de slechts twee gewonnen districten behaalde de partij slechts iets meer dan 19% van de op de partijen uitgebrachte stemmen, goed voor ook 19% (28 zetels) van de gewestelijke lijsten en daarmee maar nipt de tweede partij in het land. Het relatief grote aantal tweede plaatsen bij de districten resulteerde in 29 mandaten middels de compensatielijst, waardoor de partij uiteindelijk uitkwam op slechts 59 zetels, ofwel 15% van het totaal. In het hele land werd de partij zwaar afgerekend en zelfs traditionele bolwerken wist men niet te behouden. Waar in het verleden vooral het oosten van Hongarije veel trouwe aanhangers van de MSZP kent, zijn velen daarvan niet zozeer overgestapt naar Fidesz, maar opvallend veel naar Jobbik, in die zin een ‘ruk naar rechts’.
Jobbik wist geen enkel district te winnen, maar heeft opvallend genoeg in heel Hongarije succes geboekt, in het bijzonder – zoals valt te verwachten – in de economisch minder ontwikkelde delen en regio’s die te kampen hebben met een stijgende en reeds hoge werkloosheid. De partij haalde 16,7% van de stemmen, goed voor 26 zetels van de gewestelijke en 21 van de landelijke compensatielijst. Uiteindelijk haalde men daarmee 47 mandaten, ofwel iets meer dan 12%. Dat is zeker niet gering voor een nieuwe partij, maar de reacties in Westerse media lijken wat dat betreft wat overtrokken, want dit percentage (in Nederlandse verhoudingen ongeveer 18 zetels) is duidelijk lager dan waar de PVV op hoopt en schijnt te kunnen verwachten volgens de al dan niet manipulatieve recentelijke peilingen in Nederland. Daar komt bij dat de partij in de praktijk niet echt een zwaar stempel kan drukken op het beleid, nu eigenlijk alle parlementaire partijen zich van haar distantiëren en er voor het vormen van een regering ook absoluut geen steun van Jobbik vereist is. In de praktijk valt de in onder andere Nederlandse kranten veel gekopte ‘ruk naar rechts’ dus heel erg mee. Te meer, omdat zoals eerder betoogd het door Fidesz in haar verkiezingsprogramma beschreven beleid op veel punten juist in het geheel niet ‘rechtser’ lijkt dan dat van haar regerende voorganger MSZP.
Ten slotte boekte ook de andere nieuwkomer, de groene LMP een historische overwinning door 7,5% van de stemmen te winnen en dat vooral in Boedapest en enkele andere grotere steden. Daarmee heeft de partij zich toch een positie weten te verwerven tussen het gekrakeel van de andere grote partijen. Dit resulteerde in slechts 5 zetels van de gewestelijke lijsten, maar hier bleek de landelijke lijst enigszins te compenseren, door nog eens 11 zetels toe te voegen, resulterende in totaal 16 zetels (4%). Ook dit lijkt redelijk overeen te komen met het beeld in veel West-Europese landen en is opmerkelijk in vergelijking met de meeste buurlanden, waar groene partijen (thans) nog geheel of vrijwel afwezig zijn.
Conclusie en vooruitblik
Het algehele beeld van de verkiezingsuitslag laat zien dat er net als de vorige keren ondanks de pluriforme partijdemocratie uiteindelijk slechts vier partijen vertegenwoordigd zijn in het parlement in Boedapest. Doch in plaats van twee grote en twee kleine partijen die aan elkaar worden gekoppeld voor meermalen beproefde coalities, hebben er nu één heel grote en twee middelgrote en een vrij kleine partij zitting in het parlement. Voor het eerst sinds het tijdperk van de Socialistische Heilsstaat is er nu geen coalitie nodig, waardoor een nieuwe regering in recordtijd is gevormd: het kabinet Orbán II. De nieuwe premier en zijn partij beloven de crisis te lijf te gaan door zoveel als mogelijk te snijden in de bureaucratie, de belastingen sterk te vereenvoudigen (en daarbij per saldo ook te verlagen) en verder de Hongaarse economie er bovenop te helpen door het kopen van Hongaarse producten en de export te stimuleren. Mooie woorden die blijkens de uitslag vorige maand op instemming van de meeste Hongaren kunnen rekenen. Orbán is begonnen het aantal ministers sterk terug te brengen en gedeeltelijk te vervangen door staatssecretarissen. Ook het aantal ministeries wordt verkleind, waaronder de introductie van een gezamenlijk Minister voor Binnenlandse Zaken en Justitie. Hoe dit uit zal pakken zal men kunnen bezien de komende tijd, het toont in ieder geval duidelijke parallellen met gedane voorstellen in Nederland. In totaal zullen er waarschijnlijk 11 ministers zijn, waarvan een afgevaardigd wordt door de KDNP, verantwoordelijk voor minderheden en religieuze zaken en tevens een van de twee vice-premiers. Net als in andere, niet alleen omringende landen staat de nieuwe regering voor een zware taak, namelijk het terugdringen van het begrotingstekort en het regeren tijdens een zeer zware economische crisis. Nu zijn Hongaren daar beter aan gewend dan bijvoorbeeld Nederlanders, echter de orde van grootte van de problemen is wel anders dan in het recente verleden en de tijd zal leren of de regering na verloop van tijd en het nemen van onafwendbare bezuinigingsmaatregelen nog even veel steun zal genieten als dat nu het geval is.
De melancholische, van nature pessimistisch ingestelde Hongaar lijkt zich daar ook wel van bewust, maar ziet het – net als de bijna 36% die überhaupt niet is gaan stemmen – als een keuze van door de hond of kat gebeten te worden en een meerderheid heeft er vertrouwen in dat het in elk geval niet slechter kan dan de afgelopen acht jaar van schandalen, ruzie, tekorten, privatiseringen en bezuinigingen. Uiteraard is er bij sommigen wat angst voor de tweederde meerderheid en daarmee gepaard gaande politieke macht, Fidesz en vooral Viktor Orbán proberen die telkens zoveel mogelijk weg te nemen door te hameren op nationale eenheid en een zo breed mogelijk gedragen steun voor de te voeren maatregelen. Als ‘rechtgeaarde Hongaar’ zegt de premier slechts het beste voor zijn land te willen en beseft hij dat Hongarije zeker niet zonder de EU kan of wil. Vooralsnog krijgt hij het voordeel van de twijfel en is de algemene tendens onder de bevolking dat er nu een voorlopig einde lijkt te zijn gekomen aan de verlammende werking van besluiteloze krappe meerderheidscoalities gedurende de afgelopen twee decennia. Of het nu naar rechts of naar links is, er moet een duidelijke richting worden gekozen en als het niet anders kan, dan maar dwars rechtdoor, door muren van tegenstanders heen, de traditioneel favoriete richting van de Magyaren. Hoe meer ze in bedreiging lijken te komen en hoe moeilijker het wordt, des te sterker en eensgezinder het volk is – tot er opnieuw tweespalt uitbreekt. Er is volgens de regering nu één tegenstander en dat zijn geen etnische groepen of buurlanden, maar de wereldwijde economische crisis.
Met dank aan mr. drs. R. H. C. Kemkers.
dinsdag 1 juni 2010
Abonneren op:
Berichten (Atom)