Schets van het politieke klimaat en ontwikkelingen de laatste jaren.
Na deze uitvoerige beschrijving van het ingewikkelde Hongaarse kiesstelsel gaan we stapje voor stapje verder naar de vraag wie de parlementsverkiezingen nu hebben gewonnen dit jaar. Daarvoor zullen we kort de thans belangrijkste Hongaarse politieke partijen voor het voetlicht brengen, maar eerst nog even de politieke ontwikkelingen van de afgelopen jaren kort doornemen.
Net als in Nederland, zijn in Hongarije coalities gebruikelijk. Maar door de combinatie van het evenredigheids- met het districtenstelsel en het invoeren van een redelijk hoge kiesdrempel is het aantal partijen dat vertegenwoordigd is in het parlement in ieder geval tegenwoordig lager dan in Nederland. De partijen in het parlement zijn in de loop der tijd wel gewijzigd, verder zijn er eindeloze partijfusies, -scheuringen en –splitsingen geweest, evenals naamswijzigingen. Grofweg waren in ieder geval tot voor kort de belangrijkste internationale politieke stromingen vertegenwoordigd, zij het niet allemaal in het parlement. Ondanks het vaak moeilijke verloop van coalitieregeringen heeft tot op heden sinds 1990 elk parlement nog de volle vier jaar volgemaakt. Coalitieregeringen haalden doorgaans ook de eindstreep, al werden soms coalitiepartners vervangen. Tweemaal werd een premier tussentijds vervangen door de eigen (grootste) partij, eenmaal overleed de minister-president voortijdig en in deze gevallen kreeg het kabinet een andere naam. Ministers worden te pas en te onpas vervangen of ruilen hun portefeuille, evenals staatssecretarissen, geheel in lijn met de traditie in de omringende landen. Waar in Nederland afgetreden ministers later plots opduiken als CdK, burgemeester of voorzitter van de een of andere commissie, moet het je in Hongarije niet verbazen als de betreffende persoon terugkeert op een ander ministerie of, al dan niet tijdens dezelfde kabinetsperiode, op dezelfde post! Tussentijds worden ook soms ministeries gesplitst of gefuseerd, worden nieuwe ministersposten (zonder portefeuille) geïnstalleerd of nieuwe politieke functies bedacht, al dan niet op constitutionele basis. Zoals u als lezer merkt valt er wat dat betreft veel in de Hongaarse politiek te beleven en is het net als in omringende landen en bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk wat dat betreft alles behalve saai – voor wie politiek geëngageerd is – maar de gewone burger ziet er alleen maar het bewijs van machtsspelletjes, corruptie, vriendjespolitiek en grove onbekwaamheid in en vraagt zich af op wie en vooral of hij een volgende keer zal stemmen.
De laatste regeringsperiode stapte de kleinste coalitiepartij uit de regering, maar in plaats van nieuwe verkiezingen uit te schrijven, koos de zittende sociaal-democratische premier Ferenc Gyurcsány ervoor als minderheidsregering zijn kabinet voort te zetten, met gedoogsteun van het eerder genoemde onafhankelijke parlementslid die daarvoor beloond werd met een ministerspost. Ook toen was er – net – geen meerderheid, maar de premier wist dat doorgaans toch niet alle parlementsleden op komen dagen en hij het daardoor in de praktijk kon proberen. Dit bleek een misvatting, omdat ook veel eigen parlementsleden de reis naar Boedapest dikwijls te vermoeiend vonden en veel voorstellen werden dan ook geblokkeerd door de oppositie. De eerste minister vreesde vooral ongenadig hard te worden afgestraft bij hernieuwde verkiezingen. Gyurcsány was sowieso al de gebeten hond toen in 2006 uitlekte dat hij ruiterlijk toegaf bij een besloten partijbijeenkomst, tijdens de verkiezingen een paar maanden eerder samen met de rest van de partij hard te hebben gelogen over de economisch-financiële situatie en beloften te hebben gedaan die nooit zouden kunnen worden nagekomen. Heel het land in rep en roer, het temperamentvolle volk der Magyaren was toch al lekker op stoom gekomen omdat deze protesten samenvielen met het herdenken van de Hongaarse Opstand van 1956, exact een halve eeuw daarvoor. Zie daar: wederom hadden ‘de Rooien’ de Hongaren bedonderd. Maar vrijwel geen Hongaar die zich afvroeg waarom het volk zondermeer al die politieke retoriek een paar maand daarvoor had geloofd en waarom de media daarover geen kritische vragen hadden gesteld. In plaats van partijprogramma’s na te laten rekenen en de staatsuitgaven eens goed tegen het licht te houden, ging de discussie tussen partijen en in de pers vooral over voor-tegen, rechts versus links. Dat was vier jaar geleden, maar de vergelijking met het heden is treffend en de verklaringen voor de verkiezingsuitslag nu liggen grotendeels daar, in het najaar van 2006. Deze tendens is overigens al langer zichtbaar; ik herlas zojuist een artikel dat ik zes jaar geleden heb gepubliceerd1 over de politieke situatie op dat moment en zie dat het beeld ook toen al grotendeels hetzelfde was.
Premier Gyurcsány zag de bui al hangen zoals gezegd en was het zo zat dat hij besloot het bijltje erbij neer te leggen. De eens charismatische politicus bedacht dat hij als ‘exponent van het Hongaarse biefstuksocialisme’ en financieel al lang ‘binnen’ een leukere dagbesteding voor zich zag en droeg het stokje over aan zijn jonge adjudant Gordon Bajnai die om strategische redenen partijloos was (geworden). Hij leek de enige die deze ondankbare taak op zich wilde nemen voor de laatste 12 maanden om in elk geval ooit nog als premier de kronieken in te gaan. Veelzeggend is dat hij dit jaar geen kandidaat was bij de verkiezingen.
Hongaarse politieke partijen.
Aan de linkerzijde van het politieke spectrum bevindt zich de Hongaarse Socialistische Partij (MSZP), qua (oorspronkelijk) gedachtegoed de Hongaarse tegenhanger van de PvdA en tegenwoordig sociaal-democratisch. In de praktijk bedient deze centrum-linkse partij de gehele linker vleugel, omdat meer radicale partijen als de (socialistische) Arbeiderspartij en Hongaarse Communistische Partij bij lange na niet de kiesdrempel halen. Traditioneel is de MSZP sterk in de grotere en de (voormalige) industrie- en mijnsteden, alsmede in de volks- en flatwijken van Boedapest en het minder ontwikkelde (noord-)oosten van het land. Vanaf 2002 tot de verkiezingen afgelopen maand leidde deze partij de regeringen, tot 2008 in een Hongaarse ‘Paarse Coalitie’ met de liberale SZDSZ (Alliantie voor Vrijheid en Democratie), destijds pionerend voor Oostelijk Centraal-Europa, dat later navolging kreeg in andere landen – overigens vaak uit bittere noodzaak. Deze ‘Hongaarse VVD’ heeft haar aanhang van oudsher in de betere wijken van Boedapest, alsmede onder grotere zelfstandigen en liberale intellectuelen. Van oudsher wordt de partij in Hongarije al dan niet terecht door velen vooral geassocieerd met de joodse bevolking uit Boedapest. Gezien het geringe aantal daarvan kan dat echter nooit de omvang van de partij verklaren. Zij is overigens de afgelopen jaren sterk gekrompen en ondanks het verlaten van de vorige regering door veel kiezers toch afgerekend op het beleid en mede als gevolg van enkele schandalen was het duidelijk dat ze ditmaal de kiesdrempel niet zou halen. Op landelijk niveau werd daarom een fusie aangegaan met de MDF (Hongaars Democratisch Forum), maar ook zo werd het parlement niet gehaald en het lijkt er nu op dat de partij in haar huidige vorm ophoudt te bestaan, waardoor er geen puur liberale partij meer in Hongarije is. Het MDF was vanouds een centrum-rechtse licht conservatieve partij, die vooral furore maakte na de Omwenteling en reeds voor de Revolutie in 1989 was opgericht door intellectuele dissidenten en tegenstanders van het socialistische regime. Na eindeloze splitsingen en schandalen raakte de partij in een identiteitscrisis en leek zij een meer centrum-linkse koers te varen, waardoor het verbond met de liberalen als een verrassing kwam. Bij de recente verkiezingen werd, voor het eerst sinds de oprichting, de kiesdrempel niet gehaald en lijkt de rol van de partij, die tot tweemaal toe deel uitmaakte van een regering, voorlopig uitgespeeld.
Wij dienen ons echter hierbij te realiseren dat de in West-, Noord- en Zuid-Europa bekende tegenstellingen tussen ‘rechts’ en ‘links’ veel minder expliciet zijn in Oostelijk Centraal-Europa. Ook de binding met traditionele ideologieën is anders en de te voeren politiek lijkt in veel landen in dit deel van het continent meer gebaseerd op pragmatisme en het meezingen met de coalitie of juist afzetten daartegen. Als voorbeeld kunnen we de afgelopen twee regeerperiodes nemen in Hongarije: formeel was de sociaal-democratische partij sterk in overwicht en was de liberale partij alleen maar nodig voor de paar extra zetels om de meerderheid te behalen. De gevoerde politiek kenmerkte zich echter onder de drie opeenvolgende premiers door grootschalige privatiseringen, het terugtrekken van de overheid, denivellering en het beëindigen of sterk versoberen van sociale welvaartspolitiek. Dit valt zeker niet slechts op het conto van de liberalen te schrijven, want nadat zij uit de regering waren gestapt werd het beleid nog sterker voortgezet.
Hiertegen werd oppositie gevoerd door de centrum-rechtse volkspartij Fidesz, die een veel gematigdere politiek voorstaat met een weliswaar kleinere (bureaucratische) overheid, maar met een sterker sociaal ingrepen en een grotere rol voor de staat en vooral minder marktwerking. Wat op het eerste gezicht een paradox lijkt is werkelijkheid in veel meer postcommunistische landen en lijkt vooral te maken te hebben met het al dan niet dragen van regeringsverantwoordelijkheden en de visie van beeldbepalende politici; democratie in deze landen lijkt meer dan in bijvoorbeeld Nederland af te hangen van individuen en veel minder een ‘partocratie’ te zijn. Wellicht verdienen deze ontwikkelingen, die we ook steeds meer in Nederland en ons omringende landen kunnen zien, zoals een toenemend populisme en het vervagen van begrippen als ‘rechts’ en ‘links’ (die zoals duidelijk wordt uit colleges Politicologie tegenwoordig al lang niet meer de oorspronkelijke lading dekken) meer aandacht in de politieke wetenschappen en colleges.
Om toch de – ook in Hongarije nog steeds gehanteerde – traditionele verdeling te volgen bespreek ik hier kort verder de partijen ter rechterzijde. Overigens ligt het ‘centrum’ in landen als Hongarije, Tsjechië, Slowakije, Polen, Roemenië en zeker in Kroatië, Slovenië, Servië enzovoort, al verder naar rechts dan in Nederland, vergelijkbaar met bijvoorbeeld Beieren (CSU) of Oostenrijk. Er is een sterkere nadruk op de nationale identiteit en opmerkingen die door politici als Verdonk of Wilders worden geuit en sterk worden bekritiseerd, worden in de eerder genoemde landen door een groot deel van de bevolking algemeen geaccepteerd. De eerder genoemde partij Fidesz (officieel: Fidesz MPP; Fidesz – Hongaars Burger Platform) is vrijwel geheel gefuseerd met de KDNP (Christen-Democratische Volkspartij) die eigenlijk alleen in naam nog bestaat en nauwelijks nog afzonderlijk herkenbaar is. Fidesz (‘Verbond van Jonge Democraten’, niet geheel toevallig is er de link met het Latijnse woord voor ‘vertrouwen’ of ‘hoop’) was oorspronkelijk een partij van jonge intellectuelen, die in 1989 een radicale verandering voorstond. De overeenkomst met D66 was zeer treffend. In 1998 werd de toen 35-jarige Viktor Orbán de jongste Hongaarse premier ooit. Zijn generatiegenoten begonnen fris met nieuw beleid. Gaandeweg werden deze politici ouder en hoewel nog steeds gesteund door het jonge deel van de Hongaren, werd de partij steeds conservatiever, mede als gevolg van een fusie met de KDNP en de aansluiting van voormalige MDF-leden en andere politici. Fidesz verwerd tot een brede, centrum-rechtse volkspartij en hoewel niet zo duidelijk gelieerd aan de kerk als in bijvoorbeeld Roemenië, Kroatië of Polen, maar meer aan het vaderland, kan de partij naar Nederlandse maatstaven het beste worden vergeleken met het CDA, al zijn er zeker verschillen. Door de oppositie en Westerse pers is Fidesz bij herhaling neergezet als een enigszins nationalistische partij, met name vanwege de nadruk op de Hongaarse identiteit en de beleden lotsverbondenheid met de grote Hongaarse minderheden in de buurlanden. Zoals hiervoor beschreven is de partij naar Centraal-Europese maatstaven echter vandaag de dag zeker niet als rechts-nationalistisch te bestempelen, doch juist relatief gematigd en de voorgestelde koers is dikwijls ‘linkser’ (socialer, met minder vrije markt) dan die van andere partijen.
Aan de uiterst rechtse flank bevindt zich de Hongaarse Partij voor Gerechtigheid en Leven (MIÉP). Slechts eenmaal wist deze het parlement te bereiken, maar sinds men steeds duidelijker neonazistische trekjes begon te vertonen en daar ook duidelijk voor uitkwam, nam de kritiek toe en het electoraat af. Deze partij kan worden aangemerkt als een Hongaarse versie van de voormalige CP’86, CD of Nederlandse Volksunie. Bij de recente verkiezingen behaalde de partij landelijk slechts 1200 stemmen, hetgeen nog geen kwart promille van de stemmen is, in internationaal perspectief zéér weinig. Daarentegen behaalde een nieuwe rechtse partij, gedeeltelijk een afsplitsing van MIÉP, een veel beter resultaat. Dit is de partij Jobbik (Beweging voor een Beter Hongarije). Evenzo als in het Engels ‘right’ zowel ‘goed’ als ‘rechts’ kan betekenen, geldt dat ook voor het Hongaarse bijvoeglijk naamwoord ‘jó’. ‘Jobbik’ betekent dan ‘beter’ of ‘rechtser’ (in het meervoud) en dit duidt gelijk aan waar deze politieke beweging (analoog aan wat Rita Verdonk voorstaat met haar politieke ‘beweging’ ‘Trots op Nederland’) zich wenst te positioneren: het bieden van een alternatief voor de dominante en voortdurend ruziënde partijen MSZP en Fidesz, waarbij vooral een ‘derde weg’ wordt gepropageerd. Die is niet zozeer ‘rechts’ of ‘links’ volgens de vertegenwoordigende politici, maar ‘anders’ en dan vooral ‘beter’. Met name doordat de rechts-radicale jongerenbeweging Hongaarse Garde zich steeds meer ging afficheren met Jobbik (vooral tijdens de eerder genoemde rellen in oktober 2006) kreeg de partij met name bij buitenlandse media en ook in Hongarije zelf een uiterst radicaal nationalistisch label opgeplakt. Het is de vraag of dit welbeschouwd helemaal terecht is. In huidig internationaal politiek perspectief en met name in ogenschouw nemende de tendensen in Centraal-Europa kan Jobbik vooral als populistisch worden gekenschetst, geleid door welbespraakte relatief jonge politici van beide sexen, waarbij vergelijkingen met Jörg Haider of Filip Dewinter opgeld lijken te doen, maar om in Nederlands perspectief te blijven we eigenlijk beter kunnen denken aan Geert Wilders. Waar in de optiek van de bekende politicus uit Venlo – ooit getrouwd in Boedapest en met een Hongaarse echtgenote met waarschijnlijk twee paspoorten - vooral de moslims debet zijn aan sociale onrust en algehele malaise, zijn het volgens Jobbik bij gebrek aan moslims vooral de roma (die zich in Hongarije ook zelf aanduiden als ‘zigeuners’). Wegens hun geringe economische inbreng en volstrekte afwezigheid in het financieel-economische systeem kunnen zij moeilijk verantwoordelijk worden gehouden voor de financiële crisis en de ‘uitverkoop van Hongarije’; daarvoor wordt door Jobbik dan ook de joodse minderheid verantwoordelijk gehouden. Ook Chinezen en grote westerse multinationals zijn zeker verdacht, maar tegen ‘gewone West-Europese burgers’ (bijvoorbeeld uit Nederland, Duitsland of andere landen) zegt men niets te hebben. In internationaal perspectief is het bevolkingsaandeel van de Chinezen en overige buitenlanders gering en het aantal joden op enkele in Boedapest na vrijwel te verwaarlozen, maar door de kiezers van Jobbik lijken daarover geen kritische vragen te worden gesteld. In het algemeen kan deze partij vooral als opportunistisch worden gekenschetst, waarbij men zijn heil zoekt in het beschermen van Hongaarse waarden en het streven naar integratie van de Hongaarse natie in Europa, lees: de het maken van aansprak op territoria met Hongaarse minderheden in buurlanden. Dit gaat niet altijd samen met Europese integratie, waardoor men zeer sceptisch staat ten opzichte van de EU. Ook hier zien we duidelijk overeenkomsten met bijvoorbeeld de PVV en is net als bij andere populistische partijen vooral een etnische (dan wel religieuze) bevolkingsgroep de zondebok. In Hongarije zijn de zigeuners in brede lagen van de bevolking niet geliefd, om uiteenlopende redenen. Maar dit is zeker niet specifiek voor Hongarije, maar valt terug te zien in vrijwel alle landen met een aanmerkelijke roma- of andere zigeunerbevolking; in landen als Slowakije, Servië en Bulgarije is hun positie ontegenzeggelijk slechter en wordt er door de bevolking in het algemeen meer gediscrimineerd. Dit in ogenschouw nemende lijkt het veel beter te verklaren waarom een dergelijke partij, juist in tijden van economische crisis, goed weet te scoren en gehoor vindt bij een ontevreden bevolking die, laten we dat niet vergeten, economisch veel zwakker staat en te maken heeft met veel meer onzekerheden en bedreigingen voor het dagelijkse bestaan dan kiezers van vergelijkbare partijen in bijvoorbeeld Oostenrijk, Frankrijk, Italië, Nederland of Vlaanderen, terwijl daarnaast de bekritiseerde bevolkingsgroep in Hongarije relatief groter in aantal is dan bijvoorbeeld de moslims in de genoemde oudere lidstaten van de EU. Ook onder mijn gedeeltelijk intellectuele Hongaarse kennissenkring, alsmede onder buurtgenoten bestaat er duidelijke sympathie of steun voor Jobbik en de redenen zijn uiteenlopend, maar vallen samen te vatten als ontevredenheid over de bestaande situatie en gedesillusioneerdheid in andere partijen.
Als laatste partij dient genoemd te worden de nieuwe beweging Lehet más a politika! (LMP; Politiek kan anders!) die dit jaar voor het eerst meedeed aan de parlementsverkiezingen. Vorig jaar werd de kiesdrempel voor het Europees parlement niet gehaald, maar in relatief korte tijd heeft deze partij veel aanhang verworven. Zij zegt ook een alternatief te bieden, namelijk voor de bestaande grote partijen en ook voor Jobbik. LMP is opgericht door en vindt ook haar aanhang vooral onder jongere, hoger opgeleide delen van de bevolking en dan vooral in en rond Boedapest. Zonder af te willen doen aan haar specifieke doelstellingen, valt zij vooral te kenschetsen als een groene partij, die opkomt voor duurzaamheid, het milieu en streeft naar een rechtsvaardigere verdeling en gebruik van de wereld. Tot nu toe is dit de eerste keer dat in Hongarije een variant op GroenLinks (of een Groene partij in het algemeen) in het parlement wordt vertegenwoordigd.
Volgende week:
Uitslag van de verkiezingen
-en-
Conclusie en vooruitblik.
0 reacties:
Een reactie plaatsen